geschiedenis

De geschiedenis van het langlaufen
Door Sidney Teeling

De oudste overleveringen en de herkomst van het skiën
We moeten heel ver in de jaartelling teruggaan om de herkomst van het skiën op te sporen. Het staat vast dat er al in de steentijd jagers waren, die gebruik maakten van ski‘s. Volgens K. B. Wieklund, de grondlegger van het wetenschappelijk skionderzoek, betekende de sneeuwschoen en de ski voor de arctische volkeren net zo veel als de trein voor onze technische eeuw. Er bestaan verscheidene theorieën over de herkomst van de ski. De twee betangrijkste zullen we hier bespreken.
De eerste theorie beweert, dat de ski een westerse uitvinding is en wijst dan ook op de oudste overleveringen, die grotendeels in Scandinavië gevonden zijn. De tweede stroming is er van overtuigd, dat de ski en zijn voorgangers uit de buurt van het Altaigebergte (Mongolië) komt en zich vandaaruit heeft verspreid naar enerzijds Noord-Europa en Azië en anderzijds Alaska en Noord-Amerika. Deze theorie is voornametijk gestoeld op schriftelijke overleveringen.
De oudste, tot nu toe ontdekte ski werd gevonden in een moeras van het Angermantand bij Hoting in Noord-Zweden. In 1921 werd dit stuk pijnboomhout, dat sterk leek op de rechterhetft van een korte ski, gevonden. De ouderdom werd via onderzoek op stuifmeelkorrels vastgesteld op 4500 jaar. Dit oudste ‘sportartikel‘ wordt bewaard in het skimuseum te Stockholm. In de jaren hierna werden meer van dit soort vondsten gedaan. Zo werd er in Finland, dicht bij de Zweedse grens een ski van ca. 2800 jaar oud gevonden. Uit ca. 2000 v. Chr. stammen een compleet paar ski‘s en een in schepvorm eindigende stok, die in het veen bij Wester botten werden gevonden.
De ski‘s waren 204cm lang en 15 cm breed en gemaakt van vurehout, met een viergaten-binding, zoals dat bij de Siberi&s gebruikelijk is. In de jaren ‘30 werden ook afbeeldingen van ski‘s gevonden. Deze voornamelijk rotstekeningen stonden in het teken van de jachtmagie en bevestigen, dat de Lappen gebruik maakten van de ski bij het jagen, waarna de binnentrekkende Germanen dit gereedschap overnamen.
De oudste en bekendste rotstekening was een gravering in een rotswand op het eiland Rödoy voor de Noorse fjordenkust. De afbeelding van dit zogenaamde ‘skihaasje van Rödoy‘ werd in 1932 ontdekt en de schatting is dat ze uit 2500 jaar v. Chr. stamt, maar dit zou ook 5000 v. Chr. kunnen zijn. Het woord ski is waarschijnlijk ook van Scandinavische origine en afgeleid van het Zweedse ‘skidh‘, wat reep hout betekent. De Byzanthijnse geschiedschrijver Procopius heeft het in zijn ‘Gothenoorlog‘ over Skridhiphinnoi. Dit is de oudste vermelding van het skiën in Europa (550 na Chr.). Met de Skridhfinnen worden de Lappen aangeduid en zij worden beschouwd als de leermeesters van de Germanen.
Ook het begrip snësko of snøsko kwam veel voor en is o.a. te vinden in de titel van het wereldberoemde boek van de Noorse ontdekkingsreiziger Fridtjof Nansen ‘Op sneeuwschoenen door Groenland‘.
Zo komen we meteen op de theorie over het Altaigebergte, want deze is afkomstig van Fridtjof Nansen, die wordt beschouwd als de eerste, die ski‘s voor sportieve doeleinden gebruikte. Volgens zijn theorie is een landstreek bij het Altaigebergte en de Baikalzee het land van oorsprong van de sneeuwschoen (een voorloper van de ski). Dit gebied ligt bij Mongolië, van hieruit zouden de Fins-Oegrische volken de sneeuwschoen meegenomen hebben naar Noord-Europa en Azië.
De Zwitser Carl J. Luther is het grotendeels met Nansen eens. Hij beweert echter, dat de verbreiding niet alleen naar Scandinavië en Noord-Rusland, maar ook via de Beringstraat naar Alaska en Noord-Amerika heeft plaatsgevonden. Dit zou meteen verklaren, hoe het komt, dat er in Canada al ski‘s gebruikt werden, voordat Columbus zijn ontdekkingsreis naar Amerika maakte. Luther vond na lange studies onder één van de talrijke Chinese tekens, één die ‘glijdende‘ betekende.
Volgens de Zwitserse geleerde Alfred King zouden er in de streek van Cheng-yang in Mantsjoerije al meer dan 1000 jaar v. Chr. ski‘s gebruikt zijn. Hij heeft het over ‘zeer lange schoenen‘, die door de Mongolen gebruikt werden. In Chinese geschiedenissen over Keizer Yu, die 2000 jaar v. Chr. leefde, wordt gesproken over moerasski‘s. In dezelfde tijd droegen Mongoolse stammen sneeuwschoenen, die zowel in de sneeuw als op het ijs te gebruiken waren. T‘ang-schu schrijft daarover in de ‘Vertellingen over de Geschiedenis van de T‘ang Dynastiën (618-907)‘ het volgende: ‘In het oosten bevinden zich mensen, die zich voortbewegen op Mu-ma, dat zijn sleden, die ze aan de voeten binden, waarmee ze over het ijs lopen. Met kromme stokken zetten ze zich af. Het is niet zeker of het ijs hier ook sneeuw kan betekenen, maar in latere geschriften worden ook de Mu-ma‘s weer genoemd en daar gaat het zeker over sneeuw. De latijnse geschiedschrijver Pluvius de Oude, die in de eerste eeuw na Chr. leefde, schreef over een mysterieuze volksstam afkomstig uit Oost-Azi& die de bijnaam ‘hippopode‘ droeg.
Dit betekent paardevoet en zou moeten wijzen op een onbekend voorwerp, dat deze mensen onder hun voeten droegen en dat zou lijken op een soort ski. Naast geschriften uit China komen er ook berichten uit het Arabische gebied en Perzië, De theorieën van Nansen, Luther, King en Pluvius wijzen dus duidelijk op Mongolië en China als plaats van herkomst van de ski. Anderen noemen Noord-Europa in dit verband. Waarschijnlijk is, dat de ski ongeveer tegelijkertijd op verschillende plaatsen is uitgevonden.

De ski-middeleeuwen in Noord-Europa
Hierboven werd al opgemerkt dat de Lappen de leermeesters van de Germanen waren. In de OudNoordse bloeitijd (800-1250 na Chr.) bevonden de Lappen en de Finnen zich in het noorden en oosten en de Germanen in het westen van Scandinavië. De Germanen hebben de Europese ski verbeterd ten opzichte van het oorspronkelijke Aziatische model. Van loopski werd het een glijski. Terwijl er voordien alleen over skiën in het algemeen werd gesproken, werd de eerste afdaling op ski‘s beschreven in de verhalen over Harald de Schoonharige (860-930). In vele andere koningsverhalen kwam het skiën voor: In het ‘koningsboek‘ (circa 1120) staat de woordenstrijd tussen koning Sigurd en koning Eystein: ‘Sneeuwlopen neemt naast worstelen, duiken, zwemmen, boogschieten en ijslopen een bijzondere plaats in en behoort tot de hoogste deugden.‘
Qok in de legenden over de soms fantastische daden van de Noorse helden neemt het skiën een belangrijke plaats in. Eén van de eerste sagen is die over koning Harald ‘de Meedogenloze‘ (circa 1000), die jaloers was op de geweldige skikwaliteiten van Heming Aslakson, een eenvoudig soldaat. Harald daagde Aslakson uit voor een langIaufwedstrijd met sprongen en afdalingen. Wat Harald al voorzien had gebeurde; Aslakson won de eerste twee wedstrijden, maar Harald koos zelf de pistes uit en de laatste afdalingspiste eindigde aan de rand van de afgrond. Aslakson moest natuurlijk starten, maar in plaats van in de afgrond te storten, maakte hij de eerste ‘telemark‘ een techniek van stoppen en draaien, die in de vorige eeuw beroemd geworden is. Wat de verbouwereerde Harald daarna deed is niet bekend.
Twee van de bekendste langlauf-marathons vinden hun oorsprong in legenden. De eerste, de Birkebeiner, herinnert aan het legendarische verhaal van koning Haakon IV en zijn redders. In Noorwegen heerste in het jaar 1206 een burgeroorlog en de rebellen staan op het punt de overwinning op koning Haakon III te behalen. De twee-jarige kroonprins is bijna in de handen van de rebellen gevallen, maar wordt gered door twee koningsgetrouwe ‘Birkebeiner‘, Thorstein Skevla en Skjerwal Skrukka, die met hem ruim 200 kilometer op de ski‘s afleggen, achtervolgd door de rebellen. Het prinsje wordt in veiligheid gebracht en maakt, na-dat hij koning is geworden een einde aan de burgeroorlog en geeft de aanzet tot de grootheid van Noorwegen. Sinds 1932 wordt elk jaar over een deel van deze route de 55-kilometerlange Birkebeinerloop van Lysgard naar Renna georganiseerd, die met de symbolische rugzak van 5 kg (de twee-jarige kroonprins) gelanglauft dient te worden.
De nog beroemdere Zweedse Vasaloppet dankt zijn naam aan de in 1523 tot koning van Zweden gekroonde Gustaf Eriksson Vasa. In 1518 waren de Denen Zweden binnengevallen. De Zweedse patriottenhoofdman Gustaf Eriksson Vasa werd samen met vele van zijn bondgenoten door koning Kristian II gevangen genomen. In 1519 wist hij echter te ontvluchten en bereikte met kerstmis zijn woonplaats Mora. Hij probeerde daar zijn bondgenoten tegen de Deense koning op te zetten om zijn land te bevrijden, maar hij merkte aI snel dat zijn aansporingen tevergeefs waren. Vasa moest toen wel verder vluchten naar de Noorse grens. De inwoners van Mora bedachten zich echter, maar toen was Vasa, een prima skiër, al ver weg. Twee koeriers op ski‘s werden hem achterna gestuurd en
haalden Vasa bij Salen in. Met z‘n drieen keerden ze op de ski‘s terug naar Mora. Teruggekomen werd de opstand georganiseerd en in 1523 werd Vasa tot koning van Zwcden gekroond. Over het in 1519 gclopen traject tussen Salen en Mora loopt de sinds 1922 ingestelde 85,5 km lange Vasaloppet. De grote populariteit van deze wedstrijd blijkt wel uit het huidige deelnemersaantal van 12.000, wat als maximum is gesteld.

Ook de Finnen hebben een mooie legende. De Finse held Lemminkainen wordt beschreven in het epische gedicht ‘Kalevada‘. De ski‘s van Lemminkamen lieten tijdens de lange tocht in de sneeuw bundels vonken wegspatten.

‘Mijn lans is scherp, gepunt en ook mijn pijlen zijn klaar.
Van mijn boog is de pees gespannen...
ik heb voor mijn vertrek niets anders nodig dan mijn met bont beklede ski‘s.‘

Het skiën is in die tijd al over zijn bloeitijd heen en in de 12e eeuw zijn er steeds minder mededelingen over het skien. Tussen 1250 en 1860 vernemen we zeer weinig uit Noorwegen. De Lappen en Finnen treden wat meer op de voorgrond. De eerste betrouwbare inlichtingen komen dan van een Zweedse bisschop, Olaus Magnus, (de latijnse naam voor Olaf Mansson). Magnus wordt beschouwd als de eerste echte geschiedschrijver van de moderne ski. In zijn werk ‘Historia de gentibus septentrionalibus‘ (De geschiedenis der Noordelijke volkeren, 1555) beschrijft Olaus Magnus, dat skiën een eigenaardigheid van de Lappen is: ‘Scridfinia (het huidige Lapland) is een streek, gelegen tussen Biarmia en Finmarkcn.
Het strekt zich echter verder naar het zuiden en de Botnische Golf uit dan de beide andere landen. Het wordt vaak genoemd de Staart... De bewoners van het land lopen erg snel;er moet gezegd worden, dat ze een soort platte houten klompen dragen, waarvan het uiteinde gevormd is als een boog. In de hand hebben ze een stok; op die manier gaan en komen ze, helling op, helling af, zoals ze willen. Zeer snel en nog sneller als de sneeuw verijsd is.‘ Magnus maakt ook melding van de eerste ski-wedstrijden. De Lappen gebruikten de ski‘s niet alleen om te jagen, maar ook voor wedstrijden om sieraden of roem en ook als lichaamsoefening. De volgende melding over wedstrijden dateert pas uit 1774.
De Frankfurtse geleerde Johannes Scheffer merkt in zijn ‘Reis naar Lapland en Bothnie‘ (1673) op dat de Lappen met 2 stokken met sneeuwschoteltjes skieden. Voordien was er alleen maar melding gceaakt van één enkele stok.
De Engelsman A. de Cappell Brooke schreef in 1827: ‘Bij goede sneeuw legt men op ski‘s per dag circa 80 km af.‘

De ski in het leger
De vele oorlogen zorgden uiteindelijk weer voor een opleving in het skiën. Al in 930 vindt men de eerste mededelingen in oud-Noorse vertellingen over de militaire functie van sneeuwlopers. Dit waren meestal koninklijke boodschappers.
Sinds het einde van de elfde eeuw werden er steeds vaker afdelingen skiërs ingezet. De Noorse koning Sverre zou de eerste zijn geweest, die een compagnie skiers heeft opgericht, die tot taak had het uitvoeren van verkenningen tot in de vijandelijke gelederen tijdens de slag om Noorwegen.
De geschiedenis staat bol van heldhaftige daden van skisoldaten. In de vele oorlogen tussen Rusland en Zweden werd aan beide zijden door skitroepen gevochten. De Zweden vochten o.a. onder Karel IX en Karel XII. De Russen hadden hun leider in Iwan de Verschrikkelijke. Karel XII sneuvelde bij Frederikhald, waarna een skiër het bericht 12 uur eerder in Trondheim (600 km verder) bracht dan de ijlbode.
Het Zweedse expeditieleger, dat tijdens de 30-jarige oorlog naar het vaste land van Europa vertrok, maakte eveneens gebruik van skitroepen. De Noren speelden in die tijd een ondergeschikte rol. Pas in de 2e helft van de l7e eeuw kwamen zij weer opzetten. Tijdens de slag om Trangen (1808) werden de Zweden, die een klassieke strategie gebruikten, overspoeld en uiteengeslagen door duizenden Noren, die op hun ski‘s als granaten op hen neerkwamen en ze volkomen in verwarring achterlieten om zeer snel ook weer te verdwijnen.
In de Tweede Wereldoorlog werden ook nog Finse detachementen skiërs ingezet. In Noorwegen werden de militaire skiërs sinds de 2e helft van de 18e eeuw zeer modern getraind. Er werden o.a. competitie-wedstrijden georganiseerd. Waarschijnlijk heeft dit militaire skiën ook de aanzet gegeven tot het ontstaan van het skiën als sport en recreatie.

Skiën als sport en recreatie

In 1826 besloot het Noorse leger, om onbekende redenen, zijn afdelingen skiërs op te heffen. De bergbewoners hadden echter de smaak van het skiën te pakken. Zij kwamen voornamelijk uit het Østerdal en Telemark, twee dalen vlakbij Christiania, het tegenwoordige Oslo. Ook mensen uit de stad, vooral jongeren, gingen skiën en Iangzamerhand ontstonden ook krachtmetingen en echte wedstrijden. In dezelfde tijd werden ook jonge Zweden en Lappen enthousiast.
Naast de noordelijke landen werd er in die tijd alleen nog maar geskied in Carnolia, een kleine streek op de grens van Oostenrijk en Joegoslavie. Daar hadden de Zweden ski‘s achtergelaten op hun terugkeer van de 30-jarige oorlog. De opkomst van het skiën in Europa staat hier totaal los van.
In Californië kwam het skiën in opgang o.a. door de ‘goldrush‘. Toen er veel sneeuw viel konden de geëmigreerde Zweden en Noren als enigen nog door de sneeuw met hun eigengemaakte ski‘s. Na de goudkoorts bleef de ski, vooral door toedoen van de geemigreerde Noor John A. Thomson (bijnaam ‘Snowshoe‘). Hij was als postbode in dienst bij de staat en legde grote afstanden af op de ski‘s.

Het skiën breekt door in de Alpen
Voor het eind van de 19e eeuw waren er al enige pogingen om het skiën in Midden-Europa in te voeren. De regent van Kram spreekt in zijn werk ‘Die Ehre des Hcrzogtums Kram‘ (1689) over het skiën van boeren op de hoogvlakten van de Bloke. In het begin van de 20e eeuw probeerde Guts Muts het skiën in het Thüringerwald in te voeren. In zijn ‘Gymnastik für die Jugend‘ (2e ed. 1804) schrijft hij in het hoofdstuk ‘Der Schneelauf oder das Laufen auf Schneeshuhen‘ het volgende:
‘Wij wonen niet in een zeer koud land, maar wij hebben toch vaak genoeg zoveel sneeuw, dat de communicatie bemoeilijkt of geheel onderbroken wordt; voor die gevallen zou het invoeren van het skilopen nuttig zijn. En afgezien daarvan vindt de jongeling ongetwijfeld heil bij een oefening, die hem in ledige uren kan bezighouden en zijn lichaam kwieker en sterker kan maken.‘
In zijn ‘Handleiding voor sneeuwlopen‘ geeft Guts Muts een nauwkeurige beschrijving van ski‘s. Zijn pogingen vinden echter weinig weerklank en met de algemene teruggang van de Iichamelijke opvoeding in Europa van 1820-1860 verdwijnt ook het skiën weer uit het vizier.
Dc al eerder genoemde Fridtjof Nanscn werd uiteindelijk de grote animator voor het skiën in Europa. Zijn boek ‘Op sneeuwschoenen door Groenland‘ uit 1890, bracht het skiën in de Alpen op gang. Na Zwitserland volgden Duitsland, Oostenrijk en Frankrijk. Vooral de Engelscn droegen in die tijd bij tot de opkomst van het skiën in de Alpen.
Het ging hier echter grotendeels om het alpineskien. Het langlaufen zou pas veel later grootscheeps ingevoerd worden en beperkte zich voor alsnog tot enige wedstrijdlanglaufers.

Verdere ontwikkeling van langlaufen als wedstrijdsport
Aan het eind van de 19e eeuw werden verschillende skiclubs opgericht en even daarna volgden de nationale organisaties. De Russen verrichtten het baanbrekende werk in 1896. Daarna volgden in 1903 Tsjechoslowakije en Engeland, in 1904 de Verenigde Staten en Zwitserland, in 1905 Oostenrijk en Duitsland en in 1908 de drie Scandinavisehe landen: Noorwegen, Zweden en Finland. Pas in 1920 kwam de Italiaanse federatie tot stand.
In 1924 werd de F.I.S., de internationale skifederatie, opgericht en in datzelfde jaar werden de eerste Olympische Winterspelen in Chamonix gehouden. Hier waren heel wat strubbelingen aan vooraf gegaan. De Italiaan Brunette d‘lJsseaux was de eerste die voorstellen in deze richting deed, maar ze werden voornamelijk door de Scandinavisehe landen, met name de Zweedse kolonel Victor Gustav Balek, in de grond geboord. Deze kon het niet accepteren, dat zijn schepping, de Noorse spelen snel aan hun einde geholpen werden.
In 1914 leek het er toch van te komen, maar toen gooide de Eerste Wereldoorlog roet in het eten. In 1921 kwam het probleem opnieuw ter tafel en na veel wikken en wegen werd in 1924 ondanks de tegenstand van o.a. De Coubertin, de vader van de moderne Olympisehe Spelen, aan de Internationale Week van de Wintersporten in Chamonix de titel ‘Eerste uitvoering van de Olympisehe Winterspelen‘ toegekend. Het ging daarbij om langlauf, springen en de noordse combinatie. In 1930 werden ook de afdaling en de slalom tot de Olympisehe Spelen toegelaten.
Bij de Olympisehe Spelen in Chamonix stonden de 18 km langlauf, de 50 km langlauf, de noordse combinatie en het ski (speciaal) springen op het programma. Om de 4 jaar waren er ook F.I.Swereldkampioenschappen, terwijl de Olympisehe kampioenen tegelijkertijd wereldkampioenen waren.
Langzamerhand werd het skiën opgesplitst in meer disciplines. Bij de F.I. S .-wereldkampioenschappen van 1933 in Innsbruck werd de 4 x 10 km estafette ingevoerd. In 1952 mochten bij de Olympisehe Spelen in Oslo voor het eerst de dames meedoen op de 10 km. In 1954 volgde de 3 x 5 km estafette en in 1960 kregen de dames ook hun tweede afstand: de 5 km. In 1954 werden ook de afstanden van de heren uitgebreid. De 18 km werd vervamgem door 15 km en de 30 km werd ingevoerd. De officiële langlaufdiseiplines werden toen voor de heren: 15 km, 30 km, 50 km, 4 x 10 km estafette en het langlauf in de noordse eombinatie, en voor de dames: 5 km, 10 km en 3 x 5 km estafette en sinds 1987 de 20 km.
Op wedstrijdgebied gaven de Noren, Zweden en Finnen lange tijd de toon aan. Vanaf 1954 kwamen echter ook de Russen opzetten.
Tussen de Eerste en Tweede Wereldoorlog werd er nog weinig over het Russische skiën gehoord, maar daarna kwam de sport onder invloed van de Finnen op. De communistische machthebbers zagen de lichamelijke betekenis van de ski-sport in en anderzijds werd de populariteit voor militaire en politieke doeleinden aangegrepen. In het Rode leger waren zo‘n 2 miljoen skiërs en alleen de Finse troepen waren beter op de ski‘s dan de Russen. Vanaf 1945 werd de Russische jeugd naast andere sporten in het skiën onderwezen. In 1948 viel de eerste Russische deelname in een buitenlandse wedstrijd te melden. Op de Holmenkollen 50 km werd Protasov 4e tussen het Scandinavische geweld. Pas in 1956 werd het eerste Qlympische goud gewonnen op de 4 x 10 km in Cortina. Dc Russische dames deden het in 1956 ook goed, maar moesten op de estafette in de Finse dames hun meerderen erkennen.
De Russen voegden zich dus bij de Scandinaviërs. Voor de alpenlanden bleven eigenlijk de kruimels over. Zij scoorden vooral hoog bij de biathlon en noordse combinatie. Pas met de opkomst van het schaatsen kwamen ook de eerste langlaufmedailles.
In Squaw Valley won de Duitser Georg Thoma de noordse combinatie. In 1964 verwachtte men erg veel van de Alpenlanden tijdens de Spelen in Innsbruck/Seefeld, maar juist toen sloegen de Noord-Europeanen keihard toe.
De noordse combinatie werd in de jaren 80 grotendeels door Midden-Europeanen beheerst, met de Oost-Duitsecrs voorop, maar dat lag vooral aan de desinteresse voor dit onderdeel bij de Scandinavische landen. Ook op de specialismen gaan de Alpenlanden uiteindelijk een grotere rol spelen, vooral na de invoering van de schaatstechniek.

De schaatspas: een revolutie
Terwijl de langlaufsport eeuwenlang weinig veranderingen heeft doorgemaakt, zorgde een nieuwe techniek, de schaatspas in 1985 voor een revolutie in de langlaufwereld. De Fin Pauli Siitonen geldt als uitvinder voor de halve schaatspas, waarbij de ene ski in het spoor gehouden wordt en met dc andere ski schuin afgezet wordt. Hij gebruikte deze techniek tijdens een wedstrijd met moeilijke sneeuw- en waxomstandigheden en versloeg zo al zijn tegenstanders. In het begin van de tachtiger jaren maakte de Amerikaan William ‘Bill‘ Koch furore met deze halve schaatspas, die hem in 1983 zelfs de wereldcup opleverde.
In 1984 en vooral bij de wereldkampioenschappen in 1985 in Seefeld werden de sporen door de meeste deelnemers helemaal niet meer gebruikt.
Vooral de midden-Europeanen en de Scandinaviärs beheersten de schaatspas zo goed, dat zij ook de heuvels zonder afzetwax konden bedwingen. Vooral de Russen vielen toen door de mand, omdat ze op een algeheel verbod van de schaatspas hadden gerekend.
In het jaar 1986 werd er alleen maar geschaatst. Op alle mogelijke manieren probeerde de F.I.S. de schaatspas in te dammen, maar vergeefs.
In het jaar 1987, o.a. tijdens de wereldkampioenschappen in Oberstdorf kwam men met de 50% regeling. De 15 en 30 km voor de heren en de 5 en 10km voor de dames moesten in de klassieke techniek worden afgelegd. De 50 en 4 x 10 km bij de heren en de 20 en 4 x 5 km bij de dames mochten schaatsend worden bedwongen. Met de opkomst van het schaatsen voegden de Zwitsers en vooral de Italianen zich bij de Scandinavische landen en de Sovjet-Unie als toplanden. In de winter van 1988/1989 werd de 50% regel volledig doorgevoerd.
Het W.K.-programma van Lahti 1989 werd nu 15 km en 30 km klassiek, 15 km en 50 km schaatsen, en een estafette 4 x 10 met twee lopers klassiek en twee lopers schaatsend voor de heren. Bij de dames een soortgelijk programma: 10 km en 20 km klassiek, 10 km en 30 km schaatscn en een mixed estafette 4 x 5 km. Bij de heren werd dus een extra 15 km toegevoegd en bij de dames werd het programma met een 30 km uitgebreid.

De jaren 90
In de jaren 90 werd de langlaufwedstrijdsport door een paar atleten gedomineerd. Na de Zweedse hegemonie bij de heren van Thomas Wassberg en vooral Gunde Svan, namen de Noren het heft weer in handen. Tot de spelen van 1992 gingen Vegard Ulvang en Björn Daehli gelijk op, maar daarna was Daehli de langlaufkoning tot het eind van de jaren 90. Hij kon alle afstanden winnen en deed dat dan ook met grote regelmaat. In Nagano behaalde hij zijn 9e gouden Olympische medaille.
Alleen een rugblessure hield hem af van een al zeker schijnende 10e in Salt Lake City.
Na het uiteenvallen van de Sovjet Unie viel opvolger Rusland wat terug, mede omdat Vladimir Smirnov voortaan voor Kazachstan uitkwam. Smirnov was net niet tegen Daehli opgewassen. Vooral tijdens de dramatische sprint van de pursuit-wedstrijd (waarover verderop meer) tijdens de WK Falun 93 werd dit gesymboliseerd. Na lang juryberaad werd de eerst tot winnaar uitgeroepen Smirnov toch naar de tweede plaats verwezen.
Bij de dames veranderde er weinig na het uiteenvallen van de Sovjet Unie. De Russinnen waren en zijn oppermachtig. Vooral Elena Välbe verzamelde WC- en WK-medailles bij de vleet. Bij de WK in Trondheim 1997 behaalde zij, na de dopingdiskwalificatie van Egoravo, zelfs 5 gouden medailles! Maar een Olympische gouden medaille (met uitzondering van de estafette) was voor haar niet weggelegd. Wel voor de andere Russin Lubov Egorava, maar zij werd in 1997 als dopinggebruikster ontmaskerd en behaalde na de 2 jaar verplichte rust nooit meer haar vroegere nivo.
De dramatische ontwikkelingen van 1989 veranderde de langlaufkaart wel enorm. Er kwamen opeens veel landen van nivo bij (zoals de Ukraine, Witrusland, Kazachstan, Estland, Letland). De samenvoeging van de twee Duitslanden bracht echter niet het verrwachtte resultaat. Pas aan het einde van de jaren 90 gingen de Duitse heren weer een geducht woordje meespelen, resulterend in een paar medailles bij de WK van Lahti in 2001.

Langlaufen in de schaduw van biatlon
Wat betreft het programma en tv-populariteit kreeg het langlaufen in de jaren 90 een steeds grotere achterstand op de biatlonsport. De biatlonunie IBU wist met een paar goede publieksvriendelijke beslissingen een grote populariteit te bereiken. Allereerst bleek de in 1986 genomen beslissing om voortaan alleen nog maar te skaten een goede beslissing te zijn. Deze beslissing gaf in de jaren 90 ook de mogelijkheid om andere programmaonderdelen toe te voegen. De onoverzichtelijke Teamrace werd uit het programma gehaald en de pursuit werd ingevoerd. Deze pursuit bracht ongekend spannende en overzichtelijke wedstrijden, die ook op TV prima in beeld te brengen zijn. Veel beter in ieder geval dan de langlaufwedstrijden met 30 sec. start over vaak ook nog erg lange rondjes, waarin de FIS lang bleef volharden. De FIS voerde de pursuit zelfs eerder in dan de IBU, maar bleef daarna maar ruziën over de beste vorm. Hetzelfde deed men met de sprint. In plaats van de kiezen voor een echte sprint (200 meter in lijn), zoals bij het rolskiën, koos men voor wedstrijden van 1500 tot 2500 meter, wat o.a ellenlange voorrondes en taktische trucs in de finales tot gevolg had. De IBU was krachtdadiger en voerde na de pursuit- ook de massastartwedstrijd in. Omdat alle biatlonwedstrijden ook op kleine rondjes afgewerkt worden, krijgt het publiek in het stadion er ook veel meer van mee.
Waren er dan geen mooie langlaufwedstrijden? Natuurlijk wel, ondanks de ouderwetse wedstrijdvormen trokken de Scandinavische toeschouwers natuurlijk in grote getale de bossen in. 200.000 toeschouwers op 1 dag tijdens de Winterspelen van Lillehammer 1994, met de dramatische estafettesprint, waarin Daehli van Fauner (ITA) verloor. Af en toe waren er ook stuiptrekkingen in de Alpenlanden. Onder aanvoering van Silvio Fauner konden de Italiaanse heren lang met de Noren meekomen en ook de Italiaanse vrouwen met Di Centa en Belmondo voorop konden de Russinnen vaak goed partij geven. Legendarisch was de estafettewinst van de Oostenrijkse heren tijdens de WK in Ramsau 1999, waarbij Christian Hoffmann Thomas Alsgaard versloeg in een bloedstollende eindsprint, nadat de tot Oostenrijker genaturaliseerde Rus Botvinov een comfortabele voorsprong door een onbenullige valpartij had verspeeld.

Huidige wedstrijdvormen
Tegenwoordig staan er voor de heren langlaufers bij de WK en OS een 30 en 50 km op het programma (afwisselend klassiek en skating), een 15 km (afwisselend klassiek en skating) en een pursuit wedstrijd waarvan nu alleen nog de totaaluitslag telt. Verder nog een KO-sprint over 1500 meter (afwisselend klassiek en skating) en een estafette 4 x 10 km waarvan de eerste 2 klassiek en de laatste 2 skating. Bij de dames zijn de afstanden respectievelijk 15 en 30 km, 10 km, 1500 meter en 4 x 5 km.
Naast wereldkampioenschappen (vanaf 1987 ieder oneven jaar) en Olympische Spelen is de Worldcup-reeks de belangrijkste competitie. Een nivo daaronder is de Continentalcup, hoewel de Alpencup nooit werkelijk tot een Continentalcup is uitgegroeid en de andere continenten geen of geen volwaardige Continentalcups organiseren.
Om mee te mogen doen aan Wereldcups en het WK moet je in internationale FIS wedstrijden eerst FIS punten scoren. Dit is een voor de buitenstaander vrij ingewikkeld systeem. Hoe minder punten hoe beter. De score hangt af van de deelnemerssterkte van de wedstrijd en hoeveel procent je in tijd achter de winaar eindigt.

Langlaufmarathons zijn evenementen, die zowel een topsport- als breedtesportkarakter hebben. Deze marathons zijn altijd met (letterlijk) een massastart en gaan over afstanden van 42 km en meer. De marathons met de meeste deelnemers zijn de Vasaloppet (90 km klassiek in Zweden) en de Engadiner (42 km skating in Zwitserland) met 12.000-16.000 deelnemers.

Bij de noordse combinatie wordt natuurlijk ook nog steeds gelanglauft. Net als bij het biatlon alleen nog in de vrije stijl. Helaas staan de uitvinders van de pursuit ver in de schaduw van het specialistencollega‘s. Hoewel de Nordic Combiners natuurlijk superatleten zijn, halen zij nooit de populariteit van de springers of speciaallanglaufers. Daar verandert ook de invoering van de sprint (met 1 maal springen van de K120 en daarna 7,5 km langlaufen) niets aan. Bij de Noordse combinatie wordt een ‘echte“ Worldcupreeks en een Worldcup B-reeks georganiseerd. De Alpencup is een wedstrijdreeks puur voor jeugd en junioren.

Bij het biatlon wordt er naast ieder jaar een WK (behalve in het jaar van de OWS) ook ieder jaar een EK georganiseerd. Maar deze EK is eigenlijk bedoeld voor de deelnemers aan het tweede circuit, de Europacup. De Worldcup is ook hier het belangrijkste wedstrijdcircuit.
De wedstrijden voor de vrouwen zijn: 7,5 km sprint (met 2 x schieten en strafrondjes), 15 km individueel (met 4 x schieten en strafminuten), 7,5 km pursuit en 10 km massastart (beide met 4 x schieten l-l-s-s) en 4 x 7,5 km estafette (met voor ieder biatlete 2 x schieten met 3 reservekogels om bij missers bij te laden). Bij pursuit, massastart en estafette zijn er voor de missers net als bij de sprint strafrondjes. Voor de heren zijn de afstanden respectievelijk: 10, 20, 10, 12,5 en 4 x 7,5 km.

Doping
Er zijn maar weinig sporten waar (bloed)doping zo effectief is als bij langlauf. F.I.S. en I.O.C. voeren een zware strijd tegen de manipulaties om het bloed een zo hoog mogelijke HB-waarde te geven. De afgelopen twee grote kampioenschappen stonden helaas in het teken van grote dopingzondaars en hebben de langlaufsport een zeer slechte naam bezorgd. In 2001 werd tijdens de wereldkampioenschappen in Lahti (FIN) bijna de gehele Finse (mannen)ploeg betrapt, waaronder de 40-jarige “voorbeeld”atleet Harri Kirvesniemi. Bij de winterspelen van Salt Lake City bleek de nieuwe skikoning Johan Muehlegg (een Duitser, die uitkomt voor Spanje) ook gedoopt te zijn. Ook de Russin Larissa Lazutina werd betrapt. Er gaat zelfs een gerucht, dat kort voor de Spelen de complete Russische damesploeg positief werd bevonden, maar dat dat in de doofpot is gestopt.

De verdere ontwikkeling van het langlaufen als recreatiesport
Naast de grote opkomst van het alpine-skiën, o.a. door de ingebruikstelling van de eerste skiliften in 1932, bleef het langlaufen in Scandinavië op de eerste plaats staan. Vanaf hun tweede jaar staan de meeste Scandinaviërs al op de ski‘s en vanaf hun vijfde jaar staat het skiën op het schoolprogramma. Vanuit de steden trekt men vaak op de lange latten de natuur in en in februari zijn er speciale wintersportvakanties. Er worden zeer veel toeren, volkslopen en marathons georganiseerd, waarvan de Vasaloppet, de Birkebeiner en de Holmenkollen de bekendste zijn.

Ook in Rusland wordt nog steeds veel gelanglauft, ook al wordt dat niet meer zo door de overheid gestimuleerd als ten tijde van de Sovjet Unie. In de Alpen breekt de sport echt door na de Winterspelen van 1964. De V.V.V. van Seefeld besluit de Olympische loipes te laten liggen en skileraren proberen wintersporters enthousiast te maken voor langlauf en skiwandelen. De gezamenlijke actie in de jaren 70, Langläufer Leben Länger en de fysical-fitness-beweging, zorgen voor een stroomversnelling van het trimmen op 2 latten. De actie wordt door sportartsen ondersteund en vooral in Duitsland doen duizenden mensen mee aan de daar georganiseerde volkslopen. In de Alpenlanden kon je in de meeste plaatsen een medaille te verdienen, door een bepaalde afstand op de plaatselijke loipen af te leggen. Langs de verschillende routes waren dan stempelkastjes geplaatst, waar je de voor zo‘n medaille benodigde stempels kon krijgen. Zo werden de recreanten gestimuleerd bij het maken van hun tochten.
De opkomst van de schaatspas in de jaren 80 dreigt de positieve ontwikkeling even een halt toe te roepen. Toen er nog geen aparte skatingloipes waren, werden de loipes voor de recreanten platgewalst door aanhangers van de schaatspas. De oplossing werd gevonden in aparte schaats- en klassieke loipes, waarin iedereen zich kon vinden.
Toch blijven de klassieke loipes duidelijk in de meerderheid. Alleen in Italië en Zwitserland, waar de schaatspas bijzonder veel aanhangers heeft, kan er op bijna alle loipes ook geskated worden. Ondertussen wordt de kwaliteit van de loipes steeds beter. Vele VVV‘s gaan over tot de aanschaf van betere loipenmachines met frees, zodat verijste sporen bijna overal tot het verleden horen. In veel wintersportoorden wordt het complete loipenet dagelijks gespoord. De kosten hiervoor worden ook steeds meer op de gebruikers verhaald. In navolging van Italië en Frankrijk moet nu bijna overal in de Alpen een loipetax betaald worden, die natuurlijk wel verder beneden de liftkosten voor skiërs en boarders blijft.

T.o.v. alpine-skiën en snowboarden blijft langlaufen een relatief goedkope sport. Er hoeft veel minder betaald te worden voor een uitrusting, kleding en sneeuw. Dit heeft zeker een positieve invloed op het aantal langlaufbeoefenaars. Dat langlaufen gezond is weet ook iedereen, niet alleen echte duursporters, maar ook mensen die gewoon wat fitter willen worden, voelen zich daarom tot de sport aangetrokken. In de jaren 70 en 80 werden de langlaufers nog meewarig nagekeken door de overige wintersporters. Tegenwoordig dwingen ze veel meer respect af van de relatief “luie“ skiërs en boarders.
Het langlaufmateriaal is steeds beter geworden en vormt geen belemmering meer om er aan te beginnen. Het niet zo stabiele weer in de Alpen, met steeds weer andere sneeuwomstandigheden, stelde hoge eisen aan het waxen. De huidige generatie nowax ski‘s is zo‘n goed alternatief geworden, dat de “waxdrempel“ is verdwenen.



De geschiedenis van het rolskiën
Rolskiën is ontstaan als trainingsvorm voor wedstrijdlanglaufers. De Rus Pavel Koltschin, die in 1956 twee bronzen medailles won op bij de Winterspelen van Cortina, had al eigengemaakt rolski‘s. Nog steeds neemt het rolskiën een zeer belangrijke plaats in de zomerschema‘s van wedstrijdlanglaufers in.

Rolskiën als wedstrijdsport
In de jaren ’70 werden de eerste rolskiwedstrijden georganiseerd. Italië nam het voortouw en is nog steeds het land met de meeste rolskiërs. De grootste rolskievenementen tot 1987 waren de 12- en 24 uurswedstrijden in navolging van de langlaufwedstrijd van Pinzolo. De wedstrijden in Italië (o.a. Riva en Caldanazzo) werden o.a. gevold door Nederlandse wedstrijden in Kijkduin, Aalsmeer en Rijswijk. De allergrootste rolskiwedstrijd was de Skirolonga bij Montebelluna, waarbij eerst 50 km om een heuvelrug heengeskied werd en tot slot „il Montello“ via een steile klim beklommen werd. De vermaarde langlaufer (op zijn 42e nog WK-medailles) Maurillo de Zolt won deze wedstrijd diverse malen. In 1987 werd de Europese Rollski Federation ERF opgericht door vertegenwoordigers uit Italië (Gianfranco Borrero en Fabio Crestani), Hongarije (Tibor Holeczy), Duitsland (Hans Görlach en Andreas Adam) en Nederland (Sidney Teeling). De eerste Europacups werden in Italië en Hongarije georganiseerd. Nederland mocht in 1988 de eerste Europese kampioenschappen organiseren en deed dat in het Overijselse Hardenberg. In datzelfde jaar werd de eerste bergopEK in het Duitse Bodenmais georganiseerd. In de daaropvolgende jaren waren Hongarije (Budapest en Eger), Italië (Schiio) en Zweden (Skara) het strijdtoneel van EK‘s. In Nederland werden een paar jaren achtereen Europacups rond sportpaleis Ahoy in Rotterdam georganiseerd. In 1992 was Nederland weer aan de beurt met een EK, ditmaal in Heerlen en in s Gravendeel met het nieuwe onderdeel Teamrace. Mede door de bezielende rol van George Brouwer werd de ERF omgevormd tot een subcommissie van het langlaufcomité van de FIS. Brouwer werd de eerste voorzitter van deze subcommissie. Vanaf 1993 werden er dus Worldcups georganiseerd en ieder jaar officieuze wereldkampioenschappen rolski (Worldgames). Ook hier was Nederland weer het eerst aan de beurt met de Worldgames in Den Haag. Met 15 landen in Heerlen 1992 werd wel een voorlopig hoogepunt aan deelnemende landen bereikt. Bij de organiserende landen voegden zich België, Oostenrijk, Frankrijk, Tsjechië, Denemarken en Polen. Tijdens het FIS-congres van 1998 in Budapest gebeurde iets wat eigenlijk niemand verwacht had. Het congres besloot, dat vanaf het jaar 2000 ieder even jaar de officiële WK rolski georganiseerd mocht worden. De eerste WK werd in Rotterdam/Bergschenhoek georganiseerd, met wedstrijden op het parkoers van het nationaal noords centrum in Bergschenhoek en op de Coolsingel en Kop van Zuid in het centrum van Rotterdam. Natuurlijk wordt er niet alleen in Nederland gerolskied, maar Nederland had een hele goede „lobby“. Daarnaast maakte de financiële draagkracht van de Nederlandse Ski Vereniging en haar sponsors het mogelijk steeds dergelijke grote evenementen te organiseren. Het WK-oord van 2002, het Italiaanse Cervinia heeft al grote moeite gehad de benodigde financiën bij elkaar te krijgen en er zijn nog geen kandidaten voor 2004.
De landencup werd het meest door Italië gewonnen. Ook Duitsland en Zweden wonnen een paar maal en de Nederlandse ploeg was éénmaal, in 1994, het sterkst.
Natuurlijk wordt er ook op andere continenten gerolskied, maar dat staat ver in de schaduw bij het rolskiën in Europa.

Rolskiën als recreatiesport
Terwijl in andere landen eigenlijk alleen door langlaufers als voorbereiding op winter en door wedstrijdrollers gerolskied wordt, kwamen er in Nederland ook recreatieve rolskiërs. De eerste recreatieve rolskivereniging werd al in 1977 (de tegenwoordige NeRoVe van Rob Vermeulen) opgericht en er volgden er nog heel wat. Een lekkere tocht met elkaar rollen was het doel en het duurde niet lang of er kwam een goed gevulde recreatieve rolskikalender. Ieder weekend is er ergens in Nederland wel een bewegwijzerde of gegidsde rolskitocht te rollen. Tot de deelnemers behoren ook mensen, die geen enkele binding met langlaufen hebben.
Waarschijnlijk heeft het rolskiën zich alleen in Nederland tot een recreatiesport kunnen ontwikkelen, omdat er alleen hier “veilig” gerold kan worden. Er is geen land in Europa, waar het zo vlak is en er zoveel goede fietspaden zijn. Zonder vlakke rolskipaden is veilig rolskiën bijna onmogelijk, omdat remmen op rolski’s erg moeilijk is.
Toch groeit de recreatieve rolskisport ook in Nederland niet hard. Ook tijdens de sterke opkomst van het inline-skaten kwamen er weinig rolskiërs bij. In de wintersportlanden ontwikkelde het Nordic Skaten zich tot een zomers alternatief van het langlaufen. Inline-skates hebben als grote voordeel boven rolski”s natuurlijk, dat je er wendbaarder mee bent en beter mee kunt remmen. Maar voor langlaufimitatie kunnen de skates natuurlijk niet op tegen de langere rolski’s met blokkeringlagers voor de klassieke techniek.

Rolskimateriaal
In de jaren 70 en 80 werd er op 3-wielers gerold, zowel voor de training als voor wedstrijden. De eerste fabrikanten waren Roleto, Truma, Formo en Skiskett. Later kwam daar het Nederlandse merk Roll Sports van Hessel Rolsma bij. Vooral voor de wedstrijdrollers waren er veel mankementen aan de rolski‘s. Begin jaren 80 kwamen ook in Nederland de 2-wielers met brede rubber wielen van Swenor en Swedski in zwang. Deze ski‘s hadden enorme voordelen t.o.v. de 3-wielers. Je kon er ook mee op schelpen- en gravelpaden mee rollen. Ze rolden veel comfortabeler dan de 3-wielers met hun harde wielen en ze waren wendbaarder. Ook kon je er de toen in zwang rakende fin-step beter mee beoefenen, vooral toen ze van 90 cm ingekort werden tot 70 cm. Je stond er natuurlijk wel wat minder stabiel op, dan op een 3-wieler. Omdat de wielen vrij snel waren, werden tot het midden van de jaren 80 de meeste wedstrijden ook op deze rolski‘s gerold. Maar toen werden de 3-wielers weer sneller. De Italiaanse fabrikanten Skiskett en Skirollo produceerden zeer snelle wielen met lagen van verschillende hardheden. Toen in 1986/1987 de hoge skatingschoenen in zwang kwamen werd het ook mogelijk 2-wielers met smalle wielen te bouwen. Voor de wedstrijdsport was de trend toen gezet. Je kon op deze snelle 2-wielers natuurlijk veel beter skaten dan op de 3-wielers en de wielen werden steeds sneller. Skiskett en Skirollo domineerden het veld, later gevolgd door nog een Italiaans merk Skiway en het Zweedse Proski. De opkomst van het Nederlandse merk Eaglesport van Henk Oosterveen ging gelijk op met de opkomst van de Nederlandse rolskiploeg, dus vanaf 1992. Jarenlang werden de snelste ski‘s in Nederland gemaakt, totdat de andere merken (vooral de Italianen) de achterstand weer goedmaakten. Voor de wedstrijdski‘s zijn Eaglesport, Skiway en Skiskett toonaangevend. Tegenwoordig is de minimaal toegestane lengte 53 cm, terwijl de wieldoorsnee niet groter dan 100 mm mag bedragen.
Maar er zijn natuurlijk ook trainingsrolski‘s voor langlaufers nodig en rolski‘s voor recreatieve langlaufers. De skandinavische merken Elpex (voorheen Swedski) en Proski, het Tsjechische merk Drlik Speed en het Italiaanse Skiskett zijn hier de marktleiders, met voornamelijk 2-wielers met brede(re) wielen van rubber en polyurethaan in diverse hardheden.